Het grint knispert. Vanonder onze luifel kijken we naar de Porsche Cayenne die over het pad komt aanrijden. De caravan erachter is een maatje meer. Daarna komt een camper. Zo’n moderne, met airco en een elektrische fietsendrager. Ze rijden achter elkaar het veld op. Er stappen volwassenen uit die elkaar luidruchtig begroeten en kinderen die elkaar verlegen aankijken. Welkom op camping Buitenland in Nieuw-Amsterdam.
Het daaropvolgende uur arriveren er meer luxe auto’s met vouwwagens, een moderne opblaastent, een bungalowtent, enkele partytenten en een heleboel grote mensen en kinderen. Wij kijken het aan. Ze kennen elkaar, te horen aan het uitbundige gejuich en te zien aan de uitwisseling van de eerste drankjes. Het is vrijdag, hier wordt het komend weekend een feestje gevierd, dat is duidelijk. En wij zitten er ongevraagd middenin.
Startsein
Niet te snel oordelen, denk ik bij mezelf. Het zijn vast aardige mensen met leuke kinderen en keurige manieren. Maar mijn eerste indruk blijkt helaas correct. De feestpartij start met het schieten met buksen. Iedere paar seconden vliegt er iets de lucht in. Geen idee wat, soms blijft het in de bomen hangen, soms valt het op het veld. Gelukkig is mijn hond er niet bij, die zou hier panisch van worden. De kinderen krijgen walkietalkies en de opdracht om verstoppertje te spelen. Hun stemmen schallen uit de apparaten en binnen twee minuten hebben ze ruzie. “Ik mag óók meedoen!” schreeuwt een blond joch van een jaar of vijf. “Nee, rotkind!” schreeuwt een donkerharig kind terug. De blonde begint te krijsen.
Achteraf denk ik dat dit het officiële startsein was voor hun feestje. Want vanaf dat moment houdt het gekrijs niet meer op. Het schreeuwende kind heet Kars. Dat weten we snel want Kars jankt iedere paar minuten met een volume dat de maandelijkse testsirene met gemak overstijgt. Moeder probeert te sturen: ‘Kars, kom hier! Kars, dat mag niet! Kars dit, Kars dat …. ‘ Vanuit de tenten, campers en caravans schreeuwt regelmatig iemand het jongetje toe. De andere kinderen willen hem er niet bij hebben en smeren ‘m. Dag mag niet, ze móeten met hem spelen. Dan maar allemaal ongelukkig. Als Kars fysiek geweld gaat gebruiken, komt zijn moeder hem halen maar hij schopt en slaat ook haar dat het een lieve lust is. Het gekrijs vermengt zich met een aanhoudend ‘Nee, hou op. Au, niet slaan. Niet schoppen. Niet doen. Au!’ Maar Kars heeft geen rem. We kijken met verbazing toe. Een draai om de oren of een pak voor de broek was echt zo slecht nog niet. Als het ons kind was… Enfin, dat is het niet en we hebben maar te verdragen dat we ongewild getuige zijn van dit gezinsdrama.
Fietsen
De rest van de vrijdag doorstaan we het geschiet, de luide gesprekken, de harde muziek, , de rook van de bbq en de vuurkorf. Op zaterdag gaan we fietsen, boodschappen doen, eten en zwemmen om niet bij het zootje ongeregeld te hoeven zijn, maar er komt een moment dat je terug moet naar je kampeermiddel. Daar is nog niets veranderd. Zo’n twintig volwassenen drinken, roken, schieten en maken vuur. Voor hun groep liggen boomstammen op het veld. Gerooid uit het bos. De bbq brandt, de airfryer staat te stomen, het volk eet, de kinderen spelen. Even is het redelijk rustig. Maar dan gaat de sirene weer aan. Ik sta af te wassen en hoef niet te raden wat er aan de hand is: Kars wil fietsen.
Een kwartier lang gilt hij het op vol volume ‘Ik wil óók fietsen’. Niemand van de groep besteedt aandacht aan hem. Als ik besluit buiten een kijkje te nemen, zie ik andere gasten misprijzend de kant van de herrieschoppers -door ons inmiddels de Tokkies genoemd- opkijken. En de Tokkies kijken terug. Hun medekampeerders zijn hen beu, ik zie dat ze het zien. Je voelt de spanning op het veld stijgen. Er worden opmerkingen gemaakt. ‘Kan iemand dat kind troosten?’; ‘Kan dat kind zijn bek houden?’ Een oudere man neemt Kars uiteindelijk in zijn armen. Na nog eens vijf minuten is het kind stil. Hèhè. Kan ik nu eindelijk mijn boek lezen? Ik leg het alvast klaar, buiten op tafel. Met een drankje erbij.
Ik ga douchen, in mijn eigen camper. Als ik me aankleed, hoor ik gefluister. Ik kijk uit het raam, de buurman en zijn zoon doen iets onder mijn luifel. Ze staan gebukt, rapen iets op. Eenmaal buiten, zie ik wat er is veranderd. Mijn boek ligt op de grond, nat en plakkerig, het glas druivensap is bijna leeg, de stoel heeft rode vlekken, aan de tafel hangen druppels. De buren zitten zogenaamd geconcentreerd een bordspel te spelen voor hun vouwwagen, de vader met zijn rug naar mij toe, de zoon met zijn gezicht op mij gericht. Hij kijkt mij schuldig aan. ‘Dit is niet zo leuk, hè?’ zeg ik. De vader schrikt op van zijn stoel. Betrapt! Verontschuldigend komt hij naar me toe. Het was de schuld van zijn vrouw, terwijl zijn zoon een bal naar zijn dochter schoot, riep mams haar naam. En toen ging de bal tegen de tafel en viel het glas met sap om en hebben ze het snel opgeruimd. Dat hij probeerde er stiekem onderuit te komen, laat hij in het midden.
Niet zo hippie
Zondagmorgen is er volop bedrijvigheid op het veld. De Tokkies moeten naar huis, de kinderen naar school. Alle partytenten, stoelen, parasols, tafels, bbq’s en kratten worden ingeladen. Na de middag is het stil op het veld, eindelijk. We lezen, zonnen en luieren. Er zijn nog steeds kinderen en gezinnen om ons heen. We horen ze babbelen, spelen, lachen. Er komen nieuwe kampeerders die hun tent opzetten of de camper parkeren. We groeten en kijken toe, heerlijk. Zo hoort het te zijn. Ons humeur verbetert snel. Misschien een leuk idee om vanavond te gaan dansen bij de silent disco en zo onze trip toch nog vrolijk af te sluiten.
Maar eerst maken we een wandeling over de camping. We struinen langs de alternatieve markt en praten met een aura-lezeres. Dit is het sfeertje dat we zoeken. Niet dat we zelf spiritueel zijn maar we houden van alternatieve mensen, die hun eigen weg zoeken en daarbij zichzelf kwetsbaar opstellen. Mensen waarbij je diepgang vindt, waar je een gesprek mee kunt voeren. Wij zijn zelf een creatief stel zzp-ers, muzikanten, tekenaars, schrijvers. We leven niet volgens het 9 tot 5-principe, hebben een aversie tegen commercie. Daarom sprak deze camping ons aan. Ik had er een documentaire over gezien en er over gelezen. De camping leek bij ons te passen, of wij bij de camping.
We lopen over de paden van veld tot veld. Er zijn verschillende open ruimtes, stukken bos en een gedeelte met bijzondere woningen. Het lijkt een openluchtmuseum. Huizen in de vorm van een silo, een duikbril, een container of een slakkenhuis. Bij een tiny house is een man aan het werk. We groeten hem en complimenteren hem met zijn houten paradijsje op wielen. Hij nodigt ons uit om binnen een kijkje te nemen. Daar raken we aan de praat en we vertellen hem eerlijk dat dit niet de ‘hippie’-camping is die we hadden verwacht. En dat we ook niet de creatieve, vrijdenkende mensen ontmoeten die volgens de website de camping normaliter bezoeken. De man zucht. Nee, het is sinds corona ook niet meer zijn favoriete plekje. In die 1,5e-meterperiode moest heel Nederland in eigen land op vakantie. Toen hebben verkeerde mensen de kampeerplaats gevonden. Niet dat die mensen zelf verkeerd zijn, maar ze passen niet in het concept van camping Buitenland, legt hij uit. Wat bedoeld is als een plek voor creatieve vrijheid, ruimdenkendheid en alternativiteit wordt door hen uitgelegd als: hier mag alles. De man zucht, zijn geliefde plek is een plaats van ergernis geworden. Kinderen gillen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en zien het hele kampeerterrein als hun speelveld. Van privacy is geen sprake meer. Alleenstaande moeders settelen zich met kroost en hond wekenlang in een tent, vlak achter zijn tuintje. Als de kinderen willen zwemmen, blijft de hond blaffend en jankend achter. ’s Nachts is er geen stilte meer, en geen donkerte. Bij iedere tent zie je Action-lampjes op zonne-energie. Hij wordt er moedeloos van.
Volgens de website voert de camping een ecologisch beleid. Wij vragen ons af of daarbij past dat er altijd wel ergens vuur brandt. Bij de receptie zijn vuurkorven te huur en je kunt houtblokken kopen. Maar liever wordt het bos afgestruind naar gratis brandhout. Hele boomstammen worden de campingvelden opgesleept en kort gezaagd. Eén stel bouwt zelfs een muurtje van houtblokken om hun tent. Dag en nacht staan de velden blauw van de rook. Er is altijd wel iemand die een worstje wil braden of marshmallows wil branden. Dat de natuur hier schade van ondervindt, lijkt niemand te deren. Zelfs de rondrijdende beheerders maken geen bezwaar.
Geen stille disco
Na het avondeten gaan we naar de buitenbar. Het is nog vroeg, even na achten. Een DJ draait plaatjes, nu nog via de speakers. Even later gaat de hoorbare muziek uit, vanaf nu kun je alleen meeluisteren met draadloze koptelefoons. Een mooi concept: niemand wordt gedwongen naar muziek te luisteren. We vragen een koptelefoon. Maar die zijn allemaal in gebruik door de jeugd. De silent disco blijkt een kinderfeestje waar je als volwassene moet oppassen niet omver gelopen te worden door rennende koters. Ook valt er geen rustig gesprek te voeren: vanwege de koptelefoons schreeuwen de kinderen naar elkaar als ze iets willen zeggen. Als de rookmachine aangaat, raken ze helemaal door het dolle heen. Het lijkt de Efteling wel! Sommige ouders proberen hun kinderen in te tomen. Dat moet dan ook op hoog volume anders worden ze niet verstaan.
We wachten af. Het zal zo wel rustiger worden en misschien is er dan voor ons ook een koptelefoon. Zou wel leuk zijn om te horen welke muziek er gedraaid wordt. Het is al elf uur als uiteindelijk iemand de microfoon pakt. Hij verzoekt de ouders dringend hun kinderen naar bed te brengen zodat de volwassenen óók nog iets aan hun avond hebben. Het helpt een beetje. We horen ouders tegen hun kroost zeggen dat ‘die meneer zegt dat de kinderen naar bed moeten’. Alsof ze zelf die beslissing niet durven nemen. Een kind schreeuwt ‘Nee, ik ga niet’. De moeder haalt de schouders op en loopt weg.
Wij gaan terug naar ons plekje onder de luifel waar het gelukkig stil en donker is. Een drankje, nog even zachtjes naar muziek luisteren en dan naar bed. Morgen is de vakantie voorbij.