Net onder het oppervlak… daar wroet ik

Journalistieke blog met columns, onderzoek, recensies en maatschappelijke beschouwingen.

We zaten op de eerste verdieping bij Ter Horst Van Geel, zo’n modezaak waar dames geholpen worden door dames. En waar je een kopje koffie krijgt tijdens het wachten, in sjieke fauteuiltjes aan een glazen tafeltje met een bloemstuk erop. Daar kwam ik mijn verleden tegen.

Mijn moeder stond voor de zoveelste keer in het pashokje maar deze keer zou ze een beslissing nemen. Ze móest echt iets nieuws voor het Ceciliafeest maar bij alles wat de verkoopster aandroeg, zei ze timide ‘dat heb ik al’ of ‘nee, toch maar niet’. Ik had de helpster geïnstrueerd mijn moeder vooral met rust te laten maar dat stond blijkbaar niet in haar functieomschrijving. Ze bleef mijn moeder bestoken met drukke prints, te korte rokken en te lange bloesjes. Mam had haar neus opgetrokken en uiteindelijk besloten dat ze eigenlijk niks nodig had. Haar kast hing vol en ze was te oud om het nog te verslijten. Altijd hetzelfde liedje: als mijn moeder en ik gingen winkelen, raakten we beiden gefrustreerd. Zij van de verkoopster en ik van haar. Maar vandaag wilde ze niet zonder resultaat naar huis dus ze paste alles nog één keer terwijl ik wachtte in het koffiezitje.

Er stonden drie sjieke stoeltjes rondom een lage tafel. “Mag ik bij je komen zitten?” vroeg een andere uitgeputte dochter. Ik schatte haar iets ouder dan ik. Ze had sluik, halflang haar en haar gezicht kwam me bekend voor. We maakten een praatje en hoe langer ik naar haar keek, hoe zekerder ik ervan werd dat ik haar kende.
“Kom je uit Uden?”, vroeg ze.
“Nee, maar ik heb hier wel gewerkt”, vertelde ik, “bij de Rabobank maar dat is al dertig jaar geleden, hoor”. Dat was de sleutel. Zij werkte daar nog steeds, al bijna dertig jaar. “Dan zijn we collega’s geweest”, concludeerde ik, “maar dan moet ik je toch kennen”.
“Als je mijn naam hoort, weet je het wel”, zei ze, “ik heet Puk”.
“Klopt!”, ik wist het weer. “Jij zat boven, op de administratie, ik werkte beneden aan de balie. Joh, dat je daar nog steeds bent. Wat doe je tegenwoordig?”
“Ik ben onder andere vertrouwenspersoon. Ik weet niet of jij het toen hebt meegekregen maar er waren wat problemen met de mannen op jouw afdeling.”
“Frans Groenen…”, mijmerde ik. De naam kwam als een vulkaanuitbarsting aan de oppervlakte van mijn geheugen.
“Dus je wist ervan?” schrok Puk.
“Om hem ben ik vertrokken”, zei ik en ik wilde direct vragen hoe ze de viespeuk betrapt hadden, wat voor consequenties dat voor hem had gehad. Ophanging, castratie, toch op zijn minst zijn vrouw ingelicht? Maar ik kreeg er de kans niet voor.
Mijn moeder kwam het pashokje uit met een arm vol kleren. De verkoopster nam de stapel snel van haar over en bracht het naar de kassa om zeker te zijn van de verkoop. Mam kwam bij ons zitten.

“Kennen jullie elkaar?”
“Ja mam, dit is Puk. Ze werkt bij de Rabobank waar ik vroeger werkte.”
“En ik hoor net dat Frans Groen haar ook heeft lastig gevallen.” vulde Puk aan. Toen richtte ze zich weer tot mij. “Ik snap dat je bent vertrokken. Jammer dat je er toen geen melding van hebt gemaakt.” En tegen mijn moeder: “Ook vervelend voor u, natuurlijk.”
“Wij moeten naar huis, papa zit te wachten op het eten”, kapte mijn moeder af. Hier wilde ze duidelijk niet over praten. Ze stond demonstratief op en keek me streng aan: “Ben je klaar?”
Ik stond op en liep achter haar aan naar de kassa.

“Fijn dat je toch bent geslaagd, mam”, keuvelde ik terwijl we terug liepen naar de auto. Maar ze was niet keuvelig. Halverwege de rit naar huis begon ze te huilen. “Het was dus echt waar?”, vroeg ze.
“Wat?”
“Dat je werd lastig gevallen door je chef. Ik geloofde je niet. Ik dacht, dat doet zo’n man niet, die heeft zelf kinderen van jouw leeftijd.”
Ik herinnerde me nog dat ze dat inderdaad als argument gebruikt had. En dat ik háár niet geloofde. Welke moeder neemt haar dochter niet serieus als ze zegt dat ze wordt betast door de baas? Het had grote consequenties gehad. Ik had ontslag genomen bij de bank en was meteen ook maar het huis uit gegaan. Om afstand te nemen, om een nieuwe basis te zoeken, om los te komen van het thuisfront dat me verbood met mijn grote liefde om te gaan omdat ik te jong zou zijn maar me tegelijkertijd niet beschermde tegen een vunzerik die ouder was dan mijn vader.

Nu wist ze het dan en in de beslotenheid van mijn auto werd het onrecht voelbaar. Ze had me moeten beschermen, zij was mijn moeder. Ze was zo bang geweest dat ik -het mooie jonge danseresje- me zou laten verleiden door oversekste pubers dat ze er niet aan had gedacht dat er grotere gevaren waren. En toen ik haar daarop wees, had ze het afgedaan als aanstellerij van een aandachtsgeil meisje. Maar nu was het te laat om boos op haar te zijn. Ik voelde eenvoudigweg geen boosheid. Ik voelde voldoening, na al die jaren. En ik voelde medelijden, gek genoeg. Dit was mijn moeder, die er niet voor me was toen ik haar nodig had. En nu -dertig jaar na dato- besefte ze dat ze tekort geschoten was, dat ze ergens geen goede moeder was geweest. Dat was straf genoeg, daar kon mijn boosheid niets aan toevoegen. Ik kon alleen maar timide antwoorden: “Ja, het was echt waar, mam. Ik ben blij dat je me eindelijk gelooft.”

Volg en like deze blog

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wordpress Social Share Plugin powered by Ultimatelysocial
error

Geniet jij van deze blog? Deel het met anderen.